Het hele verhaal van de familie Hootsmans uit Roosendaal

                             DE FAMILIE HOOTSMANS UIT ROOSENDAAL                   St.Jan Roosendaal

ST. JOHANNES DE DOPER TE ROOSENDAAL

DEEL I

Hoofdstuk 1. De voorouders van Antoon Hootsmans: 8 generaties 1600 – 1823

Hoofdstuk 2. Grootouders Antoon Hootsmans 1854 -1927 en Maria Rijk 1845 – 1910  en hun nog jong gezin

Hoofdstuk 3. Antoon Hootsmans in ‘s-Hertogenbosch 1901 -1920 adjunct- directeur van gemeentewerken

Hoofdstuk 4.  Antoon Hootsmans wordt oud tussen zijn kinderen 

DEEL II
Hoofdstuk 5.  De kinderen van Antoon Hootsmans en Maria Rijk, te beginnen met Anna gehuwd met Fonger Galema en hun beider kinderen

 

HOOFDSTUK 1  DE VOOROUDERS VAN ANTOON HOOTSMANS : 8 GENERATIES 1600 -1823

De oudst bekende voorouder van de door ons nog goed gekende grootvader Antoon Hootsmans, Marinus Adrianus Hootsmans werd geboren ca 1600 in Roozedaal  en daar begraven in het koor van de St. Joannes de Doper. Zijn graf is niet meer te zien omdat later op de fundamenten van de bouwvallig geworden kerk een nieuwe St. Jan werd gebouwd. Marinus Hootsmans is de stamgrootouder en moet zeer bemiddeld zijn geweest want alleen rijken werden in de kerk begraven, vandaar het op “rijken” betrekking hebbende gezegde: “Rijke stinkers”. Tot en met de vijfde generatie werden directe nakomelingen van Marinus in de kerk van St. Johannes de Doper begraven, zij het niet in het kerkkoor maar in het schip van de kerk. Benieuwd naar de welstand die zij genoten kan de geschiedenis van Roosendaal voor ons een aanwijzing zijn. “De eerste veenkoloniën van Nederland zijn gesticht in de Langstraat in West-Brabant, in de middeleeuwen onderdeel van het graafschap Holland. Voorbeelden zijn Roosendaal en ‘s-Gravenmoer”, geciteerd uit de ‘Vrije encyclopedie’.

In het genealogisch overzicht van de familie Hootsmans komt in de eerste vijf generaties na 1600 als beroep vaak ‘koopman’ voor, soms ook schipper. Aan de vrije encyclopedie ontleen ik opnieuw  het volgende  over de sociale verhoudingen: in de veenkoloniën bestond de  hoogste sociale laag uit veenbazen, die grote stukken moeras opkochten en deze door arbeiders lieten ontginnen. Boeren maakten de tweede sociale laag uit en de derde laag bestond uit turfschippers. Het is aannemelijk te veronderstellen dat de  oudst bekenden in rechte lijn van de familie Hootsmans veenbazen waren en niet zozeer schippers.

De volgende genealogische gegevens zijn alle gevonden door Rob Hootsmans uit M. De aandachtige lezer zal in de volgende beschrijving van de genealogische ontwikkeling van onze stam kenmerkende bijzonderheden ontdekken van de familie Hootsmans in het verre verleden. Niet iedereen zal er zo diep op ingaan. Daarom zal ik na de vermelding van deze stamboom deze kenmerken kort samenvatten.
Men kan eventueel verder scrollen naar Hoofdstuk 2

Generatie 1 Stamgrootouders 

Marinus Adrianus Hootsmans, afkomstig uit Roosendaal, geboren ca 1600, overleden 05.10.1631. Hij is getrouwd te Roosendaal 11.o1.1628 voor de R.K. Kerk met Digna (Dinghen) Willems, afkomstig uit Roosendaal, ,geboren ca 1605.  Uit dit huwelijk:                                                                                                                                                                                                     1.Catharina Marinus Hootsmans, geboren te Roosendaal en, gedoopt RK
05.03.1628   en  aldaar overleden  na  1667

2.Adriaan Marinus Hootsmans (Hooftsmans), geboren te Roosendaal, gedoopt
RK 28.04,1630 aldaar overleden 03.10.1669

Generatie 2 Stamouders

Adriaan Marinus Hootsmans (Hooftsmans), geboren te Roosendaal , gedoopt R.K 28.04.1630, aldaar overleden 03.10.1669 aldaar. Hij trouwde 03.09,1651 met Anna Hendriks Ruijters, afkomstig uit Roosendaal, geboren 19.09.1631, overleden na 1706. Uit dit huwelijk:                                                                                                                    1.Marinus Adriaans Hootsmans (Hooftman), geboren te Roosendaal, gedoopt RK
24.05.1652 aldaar, overleden 22.06.1706 aldaar

2. Maria Adriaans Hootsmans (Hooftman), geboren te Roosendaal, gedoopt RK
14.03.1654 aldaar, overleden Roosendaal 1654

3. Maria Adriaans Hootsmans (Hoodtsmans), geboren te Roosendaal, gedoopt RK
22.03.1655 aldaar, overleden voor 1661

4. Catharina Adriaans Hootsmans (Hooftman), geboren te Roosendaal, gedoopt RK
07.06.1657, overleden 17.01.1733 aldaar

5. Johannes Adriaan Hootsmans, geboren te Roosendaal, gedoopt RK 23.08.1659
aldaar, overleden 23.03.1733 aldaar

6. Maria Adriaans Hootsmans, geboren te Roosendaal, gedoopt RK 30.09.1661 aldaar   overleden ……

7. Adriana Adriaans Hootsmans, geboren te Roosendaal, gedoopt RK
10.09.1663  aldaar, overleden…..                                                                                                                                            8. Dymphna Adriaans Hootsmans (Huijtsman) geboren te Roosendaal, gedoopt RK
21.04.1665 aldaar, overleden …..

9. Adriaan Adriaans Hootsmans (Hotsmans), geboren te Roosendaal, gedoopt
18.08.1667 aldaar, overleden Roosendaat 16.02.1726

Generatie 3  Oudbetovergrootouders

Adriaan Adriaans Hootsmans (Hotsmans) geboren te Roosendaal, gedoopt 18.08.1667 aldaar, overleden Roosendaal 16.02.1726. Hij is getrouwd te Roosendaal 02.01.1695 met Johanna Antoons Kuijpers (Cuijpers), afkomstig uit Roosendal, geboren ca 1670, overleden 05.06.1708. Uit dit huwelijk:                                                  1. Adriaan Adriaans Hootsmans, geboren teRoosendaal, gedoopt RK 29.05.1695
aldaar, overleden aldaar 28.07. 1756

2.Johannes Adriaans Hootsmans, geboren te Roosendaal, gedoopt RK 17.04.1696
aldaar, overleden aldaar 15.11.1766

3. Antoon Adriaans Hootsmans (Hooftmans), geboren te Roosendaal, gedoopt RK
11.09.1697 aldaar, overlEden 13.11.1697 aldaar

4.  Hendrik Adriaans Hootsmans, geboren te Roosendaal, gedoopt RK 26.03.1701     overleden  04.04.1730

5. Maria Adriaans Hootsmans, geboren te Roosendaal, gedoopt RK 26.03.1701 aldaar,     overleden na 1727

6. Marinus Adriaans Hootsmans (Hoetsmans), geboren te Roosendaal, gedoopt RK
15.02,1706 aldaar

7. Dymphna Adriaans Hootsmans (Hoetsmans), geboren te Roosendaal, gedoopt RK     02.06.1707 aldaar overleden 1767

Generatie 4    Oudovergrootouders

Johannes Adrianus Hootsmans, Koopman en Schipper, geboren te Roosendaal, gedoopt RKv17.04.1696 aldaar, wonende aldaar, overleden 15.11.1766 aldaar. Hij is getrouwd te Hoeven 01.10.1724 met Maria Jobs van den Dries, geboren te Hoeven, gedoopt RK 06.06.1699 aldaar, overleden 11.06.1736 te Roodenaal. Uit dit huwelijk:      1. Johannnes Johs Hootsmans (Huijsmans), geboren te Hoeven, gedoopt RK
10.12.1724 aldaar, overleden Roosendaal 29.04.1782

2. Adriaan Johs Hootsmans, geboren te Roosendaal, gedoopt RK aldaar, overleden
12.02.1726 aldaar.

3. Adriaan Johs Hootsmans (Hoetsmans), geboren te Roosendaal, gedoopt RK aldaar    18.06.1727, overleden voor 1743 aldaar

4. Hendrik Johs Hootsmans, geboren te Roosendaal, gedoopt RK 02.10.1731 aldaar,      overleden 11.05.1779 aldaar

5. Johanna Catharina Johs Hootsmans, geboren te roosendaal, gedoopt RK
29.10.1733  aldaar, overleden na 1765.Z ij was gehuwd met Frans de Ruijter,
afkomstig uit  Roosendaal, geboren ca 1730

6. Antoon Johs Hootsmans, geboren te Roosendaal, gedoopt RK 21.01.1736 aldaar,
overleden 07.05.1736 aldaar
Johannes Adriaans Hootsmans , vader van het gezin is daarna nog getrouwd RK voor de kerk 11.02.1737 te Roosendaal met Catharina Bommers, afkomstig uit Roosendaal, geboren ca 1710, overleden  08.10.1786 Roosendaal

Generatie 5   Oudgrootouders

Johannes Johs Hootsmans (Huismans), geboren te Hoeven, gedoopt RK 10.12.1724 aldaar, overleden te Roosendaal 29.04.1782. Hij is getrouwd te Roosendaal voor de kerk 10.12.1758 met Johanna Cornelis van der Made (Maeden), geboren te Roosendaal, gedoopt RK 29.07.1731 aldaar. Uit dit huwelijk                                            1. Johannes Adrianus Johs Hootsmans (Hoodtsmans), geboren te Roosendaal,
gedoopt RK 16.10.1750

2. Cornelis Lambertus Johs Hootsmans (Hoetsmans), geboren te Roosendaal,
gedoopt  RK 21.01.1761 aldaar, overleden 30.03 1826 aldaar

3. Laurens Johs Hootsmans, geboren te Roosendaal, gedoopt RK 26.08.1762 aldaar,      overleden aldaar 01.10.1762

4. Hendrik Johs Hootsmans (Hoodtsmans), geboren te Roosendaal, gedoopt RK
16.09.1763 aldaar

5. Maria Johanna Hootsmans (Hoetsmans), geboren te Roosendaal, gedoopt RK
17.09.1765 aldaar.   6. Adriaan Johs Hootsmans, geboren te Roosendaal, gedoopt
RK 25.08.1767 aldaar.

6. Adriaan Johs Hootsmans, geboren te Roosendaal ,gedoopt RK 25.08.1767 aldaar

Generatie  6   Oudouders

Cornelis Lambertus Johs Hootsmans (Hoetsmans), geboren te Roosendaal, gedoopt RK 21.01.1761 aldaar, overleden aldaar 27.03.1826. Hij is getrouwd  te Roosendaal 16.06.1787 voor de kerk RK met Gerardina Johs van de Zande (Sanden),geboren te Roosendaal, gedoopt RK 26.12.1762 aldaar, overleden aldaar 31.03.1825. Uit dit huwelijk:

1. Johanna Godeliva Cornels Hootsmans, geboren te Roosendaal, gedoopt RK
06.07.1787 aldaar, overleden aldaar 08.10.1787

2. Johannes Ludovicus Cornelis Hootsmans, geboren te Roosendaal, gedoopt
RK 26.08.1788,overleden aldaar 8.10.1787

3. Johannes Cornelis Hootsmans (Hoodsmans), geboren te Roosendaal, gedoopt RK
22.06.1789 aldaar, overleden aldaar 23.06.1789.

4. Anna Maria Cornelis Hootsmans (Hoodsmans), geboren te Roosendaal, gedoopt
RK  08.09.1791 aldaar, overleden aldaar 17.01.1792.

5. Adriaan Cornelis Hootsmans (Hoodsmans), geboren te Roosendaal, gedoopt RK
02.12.1794, overleden aldaar,17.01.1796.

6. Hendrik Cornelis Hootsmans (Hoetmans), geboren te Roosendaal, gedoopt RK
19.08.1797, overleden aldaar 23.09 1797.

7. Anna Cornelis Hotsmans, geboren te Roosendaal, gedoopt RK 27.12.1798
aldaar,overleden 17.1.1854

8. Pieter Cornelis (Petrus) Hootsmans, geboren te Roosendaal, gedoopt 25.07. 1802.

Generatie 7   Betovergrootouders

Anna Cornelia Cornellis Hootsmans, Dienstmeid en Arbeidster, geboren te Roosendaal, gedoopt RK 27.12.1789  aldaar, overleden aldaar 17.11.1854. Haar zoon van een onbekende man:                                                                                         Cornelis Hootsmans, geboren te Roosendaal 05.03.1823 .                                       (Anna is later getrouwd te Roosendaal 07.05.1837 met Antoon Cornelis Jongenelen, Arbeider, geboren te Roosendaal 30.05.1813, wonende aldaar, zoon van Cornelis Jongenelen en Dingena Weijmans )

Generatie 8    Overgrootouders

Cornelis Hootsmans, Metselaar,geboren te Roosendaal ,5.03.1823, wonende aldaar en te Goes (op 12 februari 1860 verhuist hij met hele gezin naar Goes, bron archief Roosendaal), overleden aldaar 19.09.1888. Hij is getrouwd te Roosendaal 17.12.1851 (1) met Clasina Franses Govers, Naaister, afkomstig uit Roosendaal, geboren 26.09.1825, wonende aldaar, overleden te Goes 30.04.1883. Uit dit huwelijk:
1.  Frans Cornelis Hootsmans, Metselaar, geboren te Roosendaal 15.11,1852,
wonende  te Goes, overleden 20.01.1895. Hij was gehuwd met Johanna Catharina      de Brandt, afkomstig uit Goes, geboren ca 1855.

2. Antoon Cornelis (Antonius) Hootsmans, geboren te Roosendaal, 22.04.1854,
overleden 13.05.1927 ‘s-Hetognbosch

3. Johannes Cornelis Hootsmans, geboren te Roosendaal 18.08.1856, overleden
aldaar 23.04.1858

4. Marijn Cornelis Hootsmans, geboren te Roosendaal  27.04.1858, overleden te Goes
6.12.1862.
5. Petrus Adrianus Cornelis Hootsmans, geboren te Goes 10.11.1860, overleden ‘s-
Hertogenbosch   27.09.1927
6. Maria Cornelia Cornelis  Hootsmans, geboren te Goes 01.11.1862, overleden
02.02.1944 Ewijk
7. Marinus Cornelis Hootsmans, arousselbouwer, geboren te goes 26.10.1864,
wonende aldaar, overleden aldaar 01.08.1906. Hij was gehuwd met Cornelia van de
Straate, afkomstig uit Goes, geboren ca 1865.

8. Johannes Cornelis Hootsmans, geboren te Goes 16.10.1867, overleden 6.07.1739
Vlissingen.

9. Cornelis Cornelis Hootsmans, geboren te Goes 10.05.1870, overleden aldaar
22.02.1871                                                                                                                         Vader Cornelis Hootsmans is later getrouwd te Goes 16.08.1884 met Monica Cornelis Antoons Misdom, afkomstig uit Goes, geboren 1846, overleden aldaar 23.05.1886, dochter van Antoon Johs Misdom en Johanna Maria Smaal.

 

HOOFDSTUK 2   GROOTOUDERS ANTOON HOOTSMANS 1854 -1927 EN MARIA RIJK 1845 – 1910 EN HUN NOG JONG GEZIN

Generatie  9  Grootouders     

Antoon  Cornelis (Antonius) Hootsmans, Metselaar, Opzichter, Adjunctdirecteur van gemeentewerken, geboren 22.04.1854 te Roosendaal, wonende te Roosendaal, Goes, Antwerpen, Utrecht , Bergen op Zoom, ‘s-Hertogenbosch en te Grave; overleden te ‘s-Hertogenbosch 13.05.1927. Antoon is getrouwd 04.11.1875 te Goes met Maria Norbertus Rijk, Dienstbode, geboren 17.10.1745 te ‘s-Gravenpolder, wonende te Goes etc.en overleden 05.12.1915 te ‘s-Hertogenbosch

Maria Norberts Rijk    's-Gravenpolder 17-10- 1845  Antoon Cormelis Hootsmans  Roosendaal 22-04- 1854

Maria Norberts Rijk ‘s-Gravenpolder 17-10- 1845 Antoon Cormelis Hootsmans Roosendaal 22-04- 1854

Met de generatie van grootvader Antoon Hootsmans mag men wel zeggen dat een nieuwe tijd begint. Ik vat hier eerst  de vroege geschiedenis van de familie samen met het noemen van haar belangrijkste kenmerken. Zoals reeds gezegd vallen deze bij aandachtige lezing af te leiden uit de gegevens over de eerste 7 generaties. Drie eeu-wen lang is er slechts sprake van Roosendaal en het nabije Hoeve in West-Brabant. In 1782 werd de vijfde Hootsmans in rij in de kerk begraven. Daarmee lijkt  het rijke koopmanschap voorbij. Korte tijd later worden voornamelijk beroepen genoemd  ontleend aan  ambachtelijk werk, en wordt er van  arbeiders gesproken, begrippen die in die tijd vermoedelijk anders verstaan werden dan tot voor kort in onze tijd; de moderne tijd spreekt van werknemers.  Bouwvakkers, zoals metselaars ontwierpen en bouwden volledige bouwwerken.
Grootvader werd metselaar genoemd maar we zullen zien dat hij toch wel iets meer was dan wat wij nu onder een metselaar verstaan.  Grootmoeder werd dienstbode genoemd. Zoals in mijn jeugd over haar hotel in Goes werd gesproken, riep dat mij ook iets anders op dan wat wij daaronder nu verstaan. Het woord is zelfs bijna uit de tijd.

De gezinsopbouw blijkt ook  uit de vermelde gegevens. In rechte lijn komt het neer op 7 opeenvolgende gezinnen. Het kinderaantal schommelt tussen 7 en 9.  Op een aantal van 65 (vertakkingen zijn er helemaal buitengelaten) weten we de overlijdensdatum van 11 nog niet. Van de 54 overigen overlijden 11 kinderen voor het vijfde levensjaar, meestal veel jonger, 13 worden ouder dan 65, 3 worden bijna 75 en één tante wordt 88; zij overleed in 1944 in Ewijk in een bescheiden gasthuis, en ik heb de indruk  dat heeroom Antoon zich daar over haar als zus van zijn vader Antoon had ontfermd.

Eén gezin valt helemaal buiten de gewone regel, het is et gezin van onze oudouders (6e generatie). In dit gezin overlijden de eerste acht kinderen zeer jong, de juiste data zijn niet altijd bekend. dan wordt een meisje Anna Cornelia geboren, dat in leven blijft. Twee jaar na haar wordt nog een jongetje geboren, waarvan niet bekend is dat het is blijven leven.  Als Anna bijna als enige en misschien wel helemaal als enige in leven is gebleven en op 44 jarige leef op 5 maar 1823 van een zoon bevalt is de vader echter onbekend. Anna noemt haar zoon Cornelis, zo heet haar vader en haar eigen tweede naam is Cornelia. Bij de aangifte van Cornelis wordt vermeld dat het om een onwettig kind gaat. Verder weten we niets, we moeten waarschijnlijk veronderstellen dat het doodgezwegen werd. Cornelis kreeg wel de achternaam ‘Hootsmans’ van moeder.
Cornelis zal 28 jaar oud trouwen op 17 december 1851 in Roosendaal met Clazina Govers, geboren 25 oktober 1825, ook te Roosendaal. Hun eerste vier kinderen worden  geboren eveneens in Roosendaal, onder wie als tweede Antoon op 22 april 1854, grootvader van ons – gezien vanuit mijn generatie. De moeder van Cornelis is dan intussen in 1837 getrouwd met Antonius Jongenelen en zal drie kinderen van hem krijgen. Lange tijd werd gedacht dat Antonius ook de vader zou zijn geweest van Cornelis maar hem niet heeft gewettigd. Deze gedacht is misschien gewekt door de aangifte van het eerstvolgende kind dat ook als onwettig werd aangegeven maar door Antonius naderhand wel werd gewettigd. Bij de geboorte van Cornelis was Antonius, geboren 30 mei 1813, echter nog geen tien jaar.
Aangenomen wordt daarom dat de vader van Cornelis nog steeds onbekend is.

Cornelis, metselaar, verhuist 21 februari 1860 het hele gezin naar Goes. Onze grootvader is dan bijna 5 jaar. Zijn oudere broer is 7 en de twee volgende zijn nog pas 2 en 1. In os woden nog vijf kinderen geboren. De reden van verhuizen is niet bekend. Moeder van Cornelis is op 5 november 1854 reeds overleden. Antoon zal later in dienst treden van de regionale Zeeuwse spoorweg, misschien was zijn vader daar ook in dienst getreden. De aanleg van de spoorweg startte pas in 1866, als reden voor verhuizen dus wel erg vroeg.. Het kan ook zijn dat Cornelis gewoon weg wilde uit Roosendaal en in Goes wel toekomst zag.
Ik richt me weer op grootvader Antoon. Bij spoorwegen gaat het niet alleen om treinen maar ook om stations en andere bouwwerken. Daarop zal het werk van Antoon betrekking hebben gehad gezien zijn beroep van metselaar. Al spoedig stapt Antoon in Antwerpen over van Zeeuwse spoorwegnet naar staatsspoorwegen. Over het gezin en verdere ontwikkelingen kom ik zo dadelijk te sprake.

Tot voor kort dachten wij dat de wortels van de Hootsmansen in Zeeland lagen. Het was slechts speculatie. Rob Hootsmans heeft aangetoond dat tot 1600 de wortels van hen in West-Brabant liggen en practisch beperkt zijn tot Roosendaal. Een vermoeden bestaat dat nog oudere wortels van de familie Hootsmans te vinden zijn in België. Wat betreft onze grootmoeder Maria Rijk, haar wortels zijn tot 1600 wel gelegen in Zeeland. Zij behoort tot de Zuid-Bevelandse Famielie Rijk, die beschreven is over de periode 1565 tot 1995 door Pater Jan Rijk van  de paters Carmelieten.

              Zeeland                             Zuid-Beveland                            Teekenburg

 

 

 

 

 

                                                      Hier werd ca 1595 Jan Leunisse, stamouder van grootmoeder Maria Rijk geboren, 15 geslachten of generaties geleden. Hij werd thuis gedoopt door een priester, die zich schuil moest houden vanwege vervolging van de katholieken tijdens de Hervorming; hij overleed in 1645, 50 jaar oud. Het is de streek, genaamd Teekenburg, gelegen op Zuid Beveland in Zeeland tussen Kapelle en Yerseke, vlak vóór het huidige kanaal door Zuid-Beveland. Op de foto zien we de oude boerderij aan de Teekenburgerweg.
Deze bestaat nog steeds, op ‘t hek staat ‘Teekenburg’. In de loopvan de tijd is de omgeving niet veelveranderdDe huidige ‘moderne’ Zeeuwse boerin wist in 1999 zich nog te herinneren dat de eigenlijke schapenboerderij gelegen moet hebben op een perceel naast de oude boerderij.

Generatie 10. Het jonge gezin van Antoon Hootsmans en Maria Rijk
De kinderen van Antoon en Maria worden op jonge leeftijd afgebeeld, voor zover van hen  foto’s van beschikbaar zijn. Van elk wordt een korte levensloop toegevoegd. Deze kan later worden aangevuld door hun nakomelingen hun nakomelingen

1. Clasina Catharina Maria Hootsmans, geboren te Goes 07.09.1876, overleden te
09.12.1876.

2. Cornelis Norbertus Josephus Hootsmans,  geboren te Antwerpen .10.1877, wo- nende te Helmond en Nijmegen. Beroep: hoofdopzichter NSP – bouwkundige, overleden 03.04.1959 CCornelis Hootsmans jonganisiusziekenhuis te Nijmegen, begraven op Jonkerbos te Nijmegen. Oud-kerkmeester van de parochie van het H. Hart van Jezus. Hij is getrouwd (1) te ’s-Hertogenbosch 27.08.1901 (akte 144) met Maria Petronella Antoinetta Heijderiks, geboren te Breda 03.10.1878, overleden te Nijmegen 22.03.1930, dochter van Johannes Christianus Bartholomeus Heijde-riks en Maria Antoinetta van Boxtel. Cornelis trouwt (2) ’s-Gravenhage 16.01.1931 met Anna  Maria Wijmer, geboren Breda  09.06.1886. Volgens Cornelis broer Frans was zij een dochter van  Antonius  Wijmer,  pianomaker, en  Maria Johanna  Heijderiks, een nicht van Maria Heijderiks; zij overleed te Venlo (St Anna),
alwaar zij februari 1938 was opgenomen.

Norbertus jong

3. Bertus (Norbertus Alphonsus Maria) Hootsmans, geboren te Utrecht 25.06.1879, priestergewijd te ’s-Hertogenbosch 09.06.1906; assistent te Milheeze 29.11.1907; rector Zijtaart (Liefdegesticht) 01.09.1908; rector te Haren bij Megen (Zrs Penitenten) 07.03.1913; rector Wijbosch (Liefdegesticht) 22.01.1937: emeritus 31.03.1944; daarna wonend te Reek en daarna te Nieuwkuyk (Liefdegesticht) waar hij is overleden op 06.01.1952

4. Clasina Maria Catharina Hootsmans, geboren te Goes 30.10.1882, overleden te  Bergen op Zoom 17.11.1885. (Maria Cornelia geb. 01.11.1882, misschien een tweelingzus  waarvan de aangifte op de volgende  dag plaats vond (?), aldus mijn neef Leo Galema)

5. Frans (Fransciscus Hermanus Johannes) Hootsmans, geboren te Bergen op ZoomFrans Hootsmans jong op 19.10.1883, overleden te Rotterdam 08.11.1949; begraven te Crooswijk Rotterdam, wonende te Rotterdam.
Beroep: werktuigbouwkundige. Hij huwde  (1) Zierikzee 20.02.1908 met Neeltje van den Broeke, d. van Jacobus en Maria van Meerendonk, geb. te Veere 02.11.1864, over-leden te Rotterdam 18.02.1925. Hij hertrouwde (2) te Rotterdam 07.05.1931 met Catharina Maria van Yperen, geboren te Rotterdam 06.06.1893; overleden te Laren NH 17.09.1970

 Antoon Hootsmans jong

6. Antoon (Antonius Petrus Paulus) Hootsmans,  geboren te Bergen op Zoom 29.06.1885.  Priester-gewijd te ’s-Hertogenbosch 12.05.1910; assistent te Beers 06.12.910, kapelaan te Heeze 11.04.1919; rector Huize Voorburg Vught 30.10.1924; pastoor te Duizel 11.04.1930; pastoor te Ewijk 04.10.1935, aldaar overleden 26.04 1955.

7. Jan (Johannes Aloysius Jan oom jongMaria) Hootsmans, geboren te Ber-gen op Zoom op 08.08.1886; beroep: geneesheer – zenuwarts. Overleden te Heemstede 18.01.1957, begraven aldaar 21.01.1957; wonende te Wehl en te Nijmegen, Venray en Heemstede. Hij huwde te Wehl 27.08.1918 (akte 19) met Catharina Maria Berendsen, geboren te Wehl 15.02.1898, overleden Heemstede 17.09.1978, dochter van Willem Johs Berendsen en Johanna Petronella van der Velden, overleden te Heemstede 13.09.1978.

8. Anna Maria Alberdina Hootsmans, geboren  Anna Hootsmans jong18.08.1887 Bergen op Zoom, overleden te ’s-Hertogenbosch 19.01.1931. Zij is getrouwd te ’s-Hertogenbosch 17.08.1920 met Fonger  Galema, geboren te Bolsward 15.05.1891, zn van IJsbrand en Elisabeth Kramer; beroep Directeur Melkinrichting St.Jan te ’s-Hertogenbosch; overleden te ’s-Hertogenbosch 31.12.1957.

9.  Laurentius Clemens Maria Hootsmans, geboren Bergen op Zoom 31.03.1888, verongelukt in 1908 ’s-Hertogen-bosch  bij  passeren van de stoomtram.

10. Joseph (Josephus Petrus Adrianus) Hootsmans, geboren te Bergen op Zoom 31.03.1890, overleden Los Angelos 18.09.1962. Joseph volgde het kleinseminarie Beekvliet in St.Michiels-gestel en ging daarna te Leuven op het Amerikaans College; vanwege WO-I volgde hij de twee laatste jaren  op het |Grootseminarie Haaren van het Bisdom ’s-Hertogenbosch en werd in ’s-Hertogenbosch priestergewijd op 17.06.1916 voor het bisdom Tucson (Arizona, USA). In dit bisdom was Joseph pastoor te Kingman en te Winslow; later vicaris-generaal van de bisschop van Gallup.

Uit deze opsomming blijkt dat 2 meisjes  heel vroeg zijn overleden, misschien zelfs wel drie. Het enige meisje dat volwassen wordt is Anna, mijn moeder.
De kinderen werden op verschillende plaatsen geboren als gevolg van het feit dat Antoon in dienst trad bij de staatsspoorwegen. Tevoren was hij, zoals reeds opgemerkt in dienst van een slechts regionale lijn in Zeeland waar hij Maria Rijk, geboren in ’s-Gravenpolder, leerde kennen, met wie hij op 4 november 1875 in Goes zou trouwen. Hun eerste kind Clasina werd in Goes geboren op 7 september 1876. Een jongere zus van Maria Rijk, Jacoba was ook getrouwd met een spoorbeambte in dienst van de Zeeuwse lijn, aangelegd in de periode 1866-1873. Na de geboorte van Clasina zijn Antoon en Maria verhuisd naar Antwerpen, waar Clasina 3 maanden oud overleed. Ongeveer 11 maanden later werd Cornelis in Antwerpen geboren. Ongeveer 20 maanden later werd Bertus geboren in Utrecht op 25 juni 1979 en ruim drie jaar later een tweede Clasina weer in Goes op 30 oktober 1882. De zes volgende kinderen werden allemaal in Bergen op Zoom geboren, telkens ongeveer om het jaar. In 1885 overleed, 3 jaar oud, genoemde tweede Clasina.
Utrecht is van het begin af aan het centrum van de staatsspoorwegen geweest. Antoon zal daar enkele jaren zijn opgeleid en Bergen op Zoom werd daarna voor hem een belangrijke bevordering, waar hij opklom tot de rang van opzichter

 

Men vindt op de hier getoonde kaart alle genoemde plaatsen:  Roosendaal – Bergen op Zoom – Antwerpen – (uitgezonderd Utrecht). ‘Zuid-Beveland met Goes’ vindt men links boven met onder Goes ’s-Gravenpolder en daar weer rechtsboven de weg van Kapelle naar Yerseke waar op het snijpunt van deze weg met het kanaal door Zuid-Beveland Teekenburg ligt, waar de stam van de familie Rijk wortelt, zoals ook reeds beschreven.

 

HOOFDSTUK 3  ANTOON HOOTSMANS IN ‘s-HERTOGENBOSCH 1901 – 1920, ADJUNCTDIRECTEUR VAN GEMEENTEWERKEN

Tot voor kort was aan niemand van ons bekend in welk jaar grootvader Antoon Hootsmans met zijn gezin naar ’s-Hertogenbosch was verhuisd. Nu weten wij dat alle kinderen van Antoon Hootsmans en Maria Rijk vanuit ’s-Hertogenbosch hun weg gevonden hebben. Zoekend in de papieren, die ondanks het vroege overlijden van mijn moeder toch door de zorg van mijn vader voor ons bewaard zijn gebleven en mij in de loop van de jaren werden toevertrouwd, vond ik op een blad uit de Bossche krant ‘Het Huisgezin’ de overlijdensadvertenties van grootvader Antoon Hootsmans en wat nog veel belangrijker was een zeer uitgebreid ‘In Memoriam’ door de betreffende stadsredactie. Ik geef het  bijna in zijn geheel weer, omdat daarin een groot deel van  leven en werken van grootvader – meer dan 25 jaar 1901-1927 – in ’s-Hertogenbosch beschreven wordt:

overlijdenadv.oma“Heden overleed alhier in het Groot Ziekenhuis kalm en vredig de heer A. Hootsmans, die de laatste jaren zijns levens in stille rust doorbracht in het St. Elisabeths-rustoord te Grave. De heer Hootsmans trad, na zich aanvankelijk op de architectuur te hebben toegelegd in dienst bij de Staatsspoorwegen, waar hij opklom tot de rang van hoofdopzichter. Op 1 November 1901 ging hij over in den dienst van gemeentewerken alhier en was vanaf 1 september 1912 adjunct-directeur van dien tak van dienst, spe-ciaal belast met de omvangrijke taak van de onderhoudswerken en een paar maal vervulde hij de plaats van den directeur bij het overlijden van de ingenieurs-directeuren Kerkhoff en Rückert. Op 1 September 1920 verliet hij den gemeen-tedienst. Hij toonde zich in die vele jaren een plichtgetrouw, ijverig, en hoogst be-kwaam ambtenaar, die tot grote tevre-denheid van het gemeentebestuur zijn post van vertrouwen beleedde. Naast zijn maatschappelijke taak wist de heer Hootsmans nog steeds tijd te vinden om als katholiek van de daad ook op gods-dienstig en sociaal terrein werkzaam te zijn. In de St.Vin-centiusvereniging was hij jarenlang een voorbeeldig confrère, eerst als lid in de parochie van de St. Pieter, later als vicepresident van de Sint Leonardus. Hij onderscheidde zich als voorzitter van het liefdewerk: ‘De Brok-kenverzameling’. Vooral ging zijn zorg uit naar de meest ongelukkigen, de gevang-enen. Ook op het terrein van de volks-huisvesting heeft hij veel nuttige arbeid verricht. De R.K. drankbestrijding mocht hem onder de ijverigste leden rangschik-ken. Wij zijn niet vergeten, dat hij in ons midden een groot voorbeeld was van een goed katholiek huisvader, uit wiens rijk gezegend gezin drie priesters zijn voort-gekomen, van wie er  twee aan zijn sterfbed stonden. De overledene was tijdens zijn leven ook lid, zelfs bestuurder van de Derde Orde, prefect der H.Familie en lid der Eerewacht van het H. Sacrament. Het einde kroont het werk. Hij rust in vrede.”

Deze genuanceerde beschrijving van grootvaders persoonlijkheid past helemaal in de algemeen aanvaarde beschrijving van de ontwikkeling van het katholicisme rond de jaren ‘70’ van de 19e eeuw in Nederland. Na een eeuwenlange ongelijke behandeling in de van staatswege door de protestanten op alle terreinen beheerste samenleving emancipeerden de katholieken zich.  Deze ontwikkeling verliep parallel met de industri-ële ontwikkeling, werd zelfs door haar mogelijk. Grootvader en grootmoeder en hun kinderen – de oudste was 24 en de jongste 11- kwamen uit het Westen van Noord Brabant, grootmoeder kwam nog verder uit het Westen, uit Zeeland. Zij moeten in ’s-Hertogenbosch een grotere vrijheid hebben ervaren als katholieken. Maar er was vast ook meer. Zij kwamen in een grote nieuwe stedelijke wijk in opbouw, in een voor hen ongekende omgeving, met onverwachte mogelijkheden en toekomstkansen, waar men alle kanten uit kon, letterlijk en figuurlijk. Dit moet grootvader hebben aangetrokken, die het had gebracht tot hoofdopzichter bij de spoorwegen en daardoor zeker ook goed op de hoogte was van de ontwikkelingen in ’s-Hertogenbosch; hij zal dat ook voor zijn kinderen belangrijk hebben gevonden.

Ik begin met een samenvatting van deze ontwikkelingen te geven, zoals deze is beschreven in het stadsarchief van ’s-Hertogenbosch (Bossche Encyclopedie). Op deze manier is het toch  mogelijk bij gebrek aan andere getuigenissen of documenten uit die tijd ons een voorstelling te vormen van  leven en werken in die tijd. Een beetje geschiedenis kan geen kwaad.

 station 1896 klaar

Het monumentale station van architect Eduard Cuypers, oomzegger van architect Pierre Cuypers van het Rijksmuseum (1885).

Men ziet hier het nieuwe station uit 1896 van staatsspoor in de nieuwe uitgestrekte westelijke wijk van ’s-Hertogenbosch, die in 1890 werd opgespoten met zand uit de nabijgelegen Vughtse heide, en daarom de wijk ’t Zand werd genoemd. Tot dan toe was ’s-Hertogenbosch omgeven met moeras, dat behouden moest blijven om de stad te verdedigen in tijd van oorlog en de vijand buiten de muren te houden. De industriële revolutie, mogelijk gemaakt door de ontwikkeling van het stoomwezen in Engeland, met de aanleg van spoorwegen voor stoomtreinen, die hele legers konden vervoeren,  had  veel veranderd. De vijand zou niet meer geweerd kunnen worden door stadsmuren.

Ten Westen van de ommuurde stad was reeds in 1868 via een weg door het moeras, een provisorisch station aangelegd aan de Bosveldweg voor de eerste spoorwegverbistation 1894nding met ’s-Hertogenbosch. Het was snel in elkaar gezet in houten vakwerk.         Sindsdien is de stad verbonden met een landelijk net van spoorwegen. De verbinding met omlig-gende dorpen komt in de volgende decennia tot stand per stoomtram, terwijl  de  stadsdienst  wordt  verzorgd door een paardentram. Na  de bouw van  het   grote  nieuwe   station  in  1896 kort  daar
Provisorisch station 1868             verderop, werd   het   provisorisch   treinstationnetje
Boschveldweg                              tramstation voor zowel vervoer van goederen als passagiegoedsttrvrnLangstr1934 smalsttrampass1923vertrlstr - kopie smalrs in de  meer directe regio zoals de Meierij en de Langstraat. De trams maakten in ‘t Zand  en buiten
Goederentram                  de stad van  de openbare weg       Passagierstram
gebruik. De tram was echter gevaarlijk op de weg ondanks de lage snelheid.  Laurens, het  op  een na jongste kind in het gezin van Antoon en Maria Hootsmans werd in 1908 14 jaar oud vlak voor huis overreden door de stoomtram bij het spelen. Het openbaar vervoer in de binnenstad  geschiedde, zoals gezegd per paardentram, eveneens over een smalle rails.                       paardentram pensmarkt groot                                               Paardentram Pensmarkt 1926

In 1874 werd officieel de status van vestingstad opgegeven. Er kunnen nu nieuwe stedenbouwkundige ontwikkelingen gerealiseerd worden. Aan het eind van de eeuw wordt uitbreiding van ’s-Hertogenbosch ook noodzakelijk. Enerzijds is dit een gevolg van de opleving in de conjunctuur dankzij de reeds genoemde industriële revolutie, die enigszins verlaat Nederland bereikt, anderzijds is dit een dringende noodzaak van de bestaande woonsituatie van veel burgers binnen de oude binnenstad, die bijzonder slecht is.  Ingenieur-architect en directeur van gemeentewerken Kerkhoff ontwerpt een stratenplan  voor de wijk ’t Zand, en daarmee een eerste stadsuitleg die volgens een coherent stedenbouwkundig plan wordt uitgevoerd. In het aan grootvader gewijde ‘In Memoriam’ hebben we gelezen dat grootvader, aangesteld als adjunct-directeur van gemeentewerken, speciaal belast met onderhoudswerken van de dienst, tijdelijk de plaats van ing.- architect en directeur Kerkhoff  vervulde. toen deze overleed.
Uit deze vermelding mogen we wel afleiden dat grootvader goed was ingevoerd in alles wat speelde. Uitgebreid kan men bovendien lezen over het stedenbouwkundig stratenplan van ’t Zand in ‘De Bossche Encyclopedie’, waaraan ik veel van mijn gegevens ontleen.

De opbouw van de wijk duurde van 1890 tot 1915. Een aantal architecten komen bij het indienen van plannen steeds terug. Jules Dony was de stadsarchitect, hij ontwierp o.a. De Draak-fontein, gebouwd in 1903, het scharnierpunt van de wijk, bestaande uit een brede  lengte-as, die men op de volgende foto vóór zich ziet en een brede breedte-as die links en rechts loopt. Aan deze kruisende hoofdwegen werden door de gemeente zeer hoge eisen gesteld voor de bebouwing.
Van de particuliere bewoners werd verlangd dat zij zelf hun huizen en kantoren en kleine ondernemingen zouden bouwen, niet dan na goedkeuring van de gemeente volgens  de ’stijl’ van die tijd, die men kan kenmerken als toepassingen van de 17e eeuwse Hollandse renaissance met invloeden van de “chalet’- of “cottage”- stijl en art-niveau. Men zou dus financieel zeer daadkrachtig moeten zijn. Bedoeld werden dus de hoogste klassen van bestuurders en ondernemers en  gezondheidskundigen enz. Ik zal mij er niet aan wagen vast te stellen of aan al deze eisen werd voldaan; ik zal vele foto’s tonen opdat de lezer zelf oordelen kan.

de draak

Het stratenplan dat voor ’t Zand was vastgesteld werd gekenmerkt door een duidelijke bouwkundige stijl welke op de eerste plaats was bedoeld voor de beide brede hoofdwegen die elkaar kruisten bij de Draak-Fontijn.
Het stratenplan was ook hiërarchisch, zoals het werd genoemd. Hiermee wordt gezegd dat  niet iedere straat even hoog gelegen lag, een even hoge waarde had. Op de vorige foto met ‘De Draak’ ziet men duidelijk de brede lengte-as, die helemaal tot het einde loopt. Op de volgende foto, recent genomen van het hoge PNEM-gebouw, ziet men het begin van de brede lengte-as; alle lanen en pleinen dragen namen van leden van het Oranjehuis en ziijn hiërarchish ‘hoog’, beginnend met de Koningsweg. Zie daarnaast hier ook de plattegrond van Zuid naar Noord.
Noord
kaart Den Bosch 't ZandOp de plattegrond  ziet men ook parallelwegen. Links loopt langs de spoorlijn de Mayweg tot aan het station en dan verderop de Bosveldweg. De Mayweg begint met een blok  van straten, ‘Lombok’ genaamd en  de Boschveldweg ein-digt eveneens met een blok straten: de zgn ‘Sint-straten’. Deze straten zijn lager gelegen in de waardering, de grondprijs bij de uitgifte rond 1900 was 3 gulden pm2.
'T Zand smal

Aan de rechterzijde is ook een parallelweg gelegen langs de Dommel, eens stadsgracht. Zie weer de foto, Deze parallelweg langs de Dommel is genoemd naar de burgemeester van ’s-Hertogenbosch Van der Does de Willebois, die in 1890 opdracht gaf voor het metershoog ophogen van de moerasgrond met zand voor 35 cent pm3. Het werd een singel met herenhuizen en villa’s en met op het einde van de singel – eens Kloosterweg geheten – het klooster en de H.Hartkerk van de Kapucijnen uit 1900, allerminst laaggelegen maar juist hooggewaardeerd. Grootvader keek van de Oranje Nassaulaan 22, gelegen in de lengte-as, die men op de plattegrond heel duidelijk midden door ‘t Zand ziet lopen, in de tuin van de paters aan de singel.
Dan zijn er  nog de verbindingstraten. In de hiërarchie werden deze bestemd voor de middenstand. Wanneer men ze bekijkt is er duidelijk een verschil tussen de verbinding-straten aan  de linkerkant en aan de rechterkant, een verschil dus tussen een hoge en een lage middenstand.

Ter illustratie volgen nu vele foto’s   

Woonhuis van grootvader en zijn gezin aan de Oranje Nassaulaan 22, het 2e huis rechts. Het is een van de huizen in de getoonde laan, die even verderop naar Noord de Stationsweg, de brede-as, kruist
           nassaulaangrootvaderOr.Nass.l 2Opa Hootsmans

Er bestaat een uitvoerige beschrijving van het herenhuis dat grootvader bewoonde. Ik citeer hieruit: “Het object bezit cultuurhistorische waarden, daar het als voorbeeld van woningen voor de meer welgestelden een bijzondere uitdrukking vormt van de sociale segregatie in het begin van de 20e eeuw. Deze sociale status is nauw verbonden met de situering in stedenbouwkundige context…….. Het object heeft architectuurhistorisch waarden vanwege de verzorgde ornamentiek en afwisselende detaillering in de bewaard gebleven elementen van het interieur en delen van het exterieur…..” Het is een Rijksmonument.

Even verderop naar Noord nogmaals ‘De Draak’ als kruispunt.
draak en station

Links  stationsplein en het station, rechts begin van de stationsweg naar de binnenstad

Terug naar Zuid : Julianaplein in 2013
Julianaplein 2013

Julianaplein in 1925 nog met het Monumentale H. Hartbeeld, dat later naar het Emmaplein werd  verplaatst.

H.Hart Monument Julianaplein 0005926

Nog verder terug: Koningsweg nr 2:                                Koningsweg nr. 4
Villa bankier van Lanschot                                               Villa voor de Gruyter sr.

van Lanschot 2 Cap.l.julianaplein 10 Zandstaete 2007 (2908)

 Koningsweg  nr.6                                                           Koningsweg nr. 66
Villa de Gruyter jr                                                           het 1e PNEM-kantoor
villa de Gruyter jr Koningswegpnem

Alle andere even nummers zijn  slechts grote Herenhuizen evenals aan de overkant de oneven nummers, met uitzondering van nummer 43.
In 1907 werd op  nummer 43 op initiatief van enkele artsen een melkfabriek gebouwd. Grootvader zal ongetwijfeld daarvan op de hoogte zijn geweest. De uitbreiding van de stad was mede noodzakelijk geweest vanwege de slechte woonsituatie van zeer veel burgers. De Binnendieze  diende als een open riool welke de vuilnis loodste in de Buitendieze, hetgeen mogelijk oorzaak was van velerlei besmetting. Tuberculose behoorde tot een van de belangrijkste sterftecijfers en werd ook veroorzaakt door het drinken van rauwe melk, recht van de vaak met tuberculose besmette koe, die de boeren uit de dorpen rond de stad dagelijks los verkochten, waarbij ook nog kwam dat meerdere boeren met de melk knoeiden.
Het initiatief van artsen is daarom niet zo vreemd uit oogpunt van hun zorg voor de gezondheid van de burger.
Jan van Rijckevorsel en Elisabeth Hugepoth legden de eerste steen.

Een schets geeft aan wat er gebouwd zou worden. Het woonhuis is wel geen Vila maar toch meer dan een herenhuis. De stoomzuivelfabriek met schoorsteen is gedacht in een zijstraat. Het woon-huis voor de directeur is gedacht aan de Koningsweg, met beneden zijn kantoor.
Aangezien artsen niet op de eerste plaats ondernemers zijn  lijkt het geen wonder dat in 1918 de fabriek reeds te koop stond. Een klein groepje van 12 boeren nam de fa-briek over mét de directeur. Een jaar later bleek deze directeur niet alle rekeningen te kunnen verantwoorden, waarop – Melkventen St.Jan ca 1930kort verteld – een 28 jarige boerenzoon uit Friesland, nog ongehuwd,  solliciteerde en  het aandurfde om een bedrijf met grote schulden namens de boeren te gaan leiden. De boe-ren achtten dit risico verantwoord enerzijds omdat de sollicitant goe-de referenties had en ook  om-dat  hij anderzijds nog ongehuwd was. De boeren redeneerden, dat zij  hem  altijd weer konden ont-slaan, zo luidden d notulen.

Zo zag het woonhuis met het bedrijf er uit 1923

Na  1945  beginnen er in  de gemeente  stemmen op te gaan dat een dergelijk bedrijf niet thuishoort  in zo’n chique wijk. De bevolking van de stad is bovendien intussen veel harder gegroeid dan men had gedacht en het bedrijf heeft ook behoefte aan expansie. Het zal nog tot 1958 duren voordat het bedrijf verhuist naar de rand van de stad.

Het gedeelte boven de kruising van de twee hoofdassen van de wijk in Noord werd lange tijd  overheerst door de  parochiekerk van de wijk: de St. Leonardus   Deze kerk was ontworpen in neogotische stijl door de stadsarchitect Jules Dony, die ook ‘De Draak’ had ontworpen. De 1e pastoor G. van de Kant, pastoor van 1902 tot 1945 financierde de bouw. De kerk was genoemd naar Leonardus van Veghel of van Vechel, een van de martelaren van Gorkum en geboren in 1527 in ‘s-Hertogebosch. De kerk werd ingewijd in 1905. Het H. Hartbeeld op het Julianaplein werd kort voor 1940 van het Julianaplein verplaatst naar het Emmaplein bij de Leonarduskerk.
Leonarduskerk 0003916oorlogsschade  1944 Leonarduskerk 00003049

De kerk werd bij de bevrijding zwaar beschadigd.
De parochie telde toen iedere week nog 8000 bezoekers. Daarom werd zij herbouwd. Kosten een half miljoen. De ontwikkelingen binnen de kerk gingen echter zo snel dat de kerk al in 1971 werd gesloopt.

Parallel ten Westen van  de fraaie lengte-as als een boulevard van Zuid naar Noord werd de Mayweg aangelegd; de naam komt van een van moerassige polders.

Hier vond sociale woningbouw plaats voor  arbeiders en militairen. Hieruit blijkt de eerdere genoemde hiërarchie in het stratenplan. Toch wordt een enkele versiering aan-gebracht. De gebeeldhouwde ornamenten geven de bestemming van de huizen aan.               Met ‘militairen’ worden officieren bedoeld. Soldaten verbleven in kazernesornament Miltaite

                                                            Ornament Woningen

Verderop wordt de Boschdijkweg aangelegd; de naam herinnert ook aan de moerassige polders
Hier worden zowel woningen als bedrijven gebouwd

Woningen en tricotagebedrijf                                Woningen en Goulmy en Baar sigaren
daarna Willem II Sigaren
Boschveldweg TricosaWillem IIsig.

Goulmy en Baar had op zijn hoogtepunt 1000 werknemers, waaronder ook kinderen.. Het was de grootste sigarenfabriek van Nederland. De Koninklijke Harmonie van Goulmy overleefde het bedrijf. Bekend en belangrijk was op de kop van ‘t Zand ook de ijzergieterij van de firma Dufay, dat zich toelegde op stuwschroeven en gin samenwerken met Lips in scheepschroeven. Ook de wafelfabriek van Verkade mag niet vergeten worden, nu het tweede cultuurcentrum van ‘s-Hertogenbosch.  Binnen de veste was geen gelegenheid geweest voor belangrijke industrie;  de stad was behalve garzinoenstad vooral een handelsstad.

Parallel rechts aan de andere kant van de wijk. ten Oosten en langs de Dommel werd een Singel aangelegd. Op de foto links stroomt de DommelVd Does de Will. sing.

De Singel wordt genoemd naar burgemeester Van der Does de Willebois, die zoals reeds vermeld, in 1890 opdracht heeft gegeven om langs de stadsgracht het moeras meters op te hogen met zand. Het is duidelijk dat de hiërarchie hier veel hoger is. De Singel loopt verder door: in 1900 kwam het klooster van de Kapucijnen klaar en ook de kerk, toegewijd aan het H. Hart, eertijds Kloosterweg.

capucijnenklooster  bij de Dommel 0009502

Het klooster nu in 2013, hetgeen mn kan zien aan de bomen, vooral aan die in de tuin

Tegenover de Kapucijnen aan de andere zijde van de Dommel is ‘binnen de muren’ van de stad het kloostervan de zusters van JMJ. “De Mariënburg”  gelegen.

Dit hoofdstuk is heel lang geworden. Wat wisten wevan grootvader? Ik wist heel weinig van hem en ik vermoed ook bijna iedereen van de familie. Er werd nooit over hem gesproken. Ik wist dat hij in ‘s-Hertogenbosch woonde, ongeveer waar, en dat hij daar adjunct-directeur van gemeentewerken was. Voor het overige waren er een paar vermoedens, de belangrijkste zijn evenwel niet waar gebleken. Hij kwam niet uit Zeeland  en hij overleed ook niet in Grave maar in ‘s-Hertogenbosch.
Ik heb zijn werkkring als uitgangspunt genomen en deze heeft mij heel veel gezegd, vooral ook omdat ik zelf in ‘s-Hertogenbosch ben opgegroeid en de laatste jaren mij erg ben gaan interesseren in de geschiedenis van de stad. Enkele belangrijke documenten zijn bij mij thuis bewaard en met goed zoeken en veel vragen boven water gekomen. Het volgende hoofdstuk tracht ik het gezinsleven weer meer uitdrukkelijk te benaderen. Grootvader en grootmoeder worden ouder en alle kinderen volwassen

INTERMEZZO
‘Het is als in tijd van oorlog’, ‘t Zand als toneel van strijd tussen arbeid en kapitaal, 1903-1914.       Zo luidt een artikel in ” ‘t Zand “, uitgave Cultuurhistorische Vereniging ‘De Boschboom’ 2008, geschreven door Dr. Frans van Gaal.

Ik voeg dit in omdat ik niet wist en wat ook nauwelijks bekend blijkt te zijn, dat het katholieke ‘s-Hertogenbosch in de eerste jaren van 1900 ‘besmet’ werd met revolutio-naire neigingen.  Deze geschiedenis is buitengewoon goed ververborgen gehouden en gebleven. Ik ga daar nu uitvoerig op in; het komt mij voor alsof alles nog slechts kortgeleden is gebeurd en de actualiteit van nu nog haalt. Ik haal meerdere malen letterlijk de genoemde auteur aan, waarvoor ik toestemming heb.

De besmetting kwam vanuit het  Westen en vooral vanuit Amsterdam, waar de spoor-wegstakingen van 1903 de werkgevers en vooral de regering wanhopig hadden ge-maakt.
Abraham Kuyper, leider van de antirevolutionairen (een christelijke partij), was als ministerpresident leider van de regering. Christenen, katholieken en vooral protestan-ten dienden niet te staken, mochten ook niet staken.
Radicaal linkse revolutionairen hadden zich al in 1893 verenigd in een Bond en verraste bijna iedereen in het land in 1903 met hun georganiseerde steun aan de eerste stakers. De werkgevers, wilden zij blijven ondernemen, konden niet anders doen dan toegeven aan de belangrijkste eisen van de arbeiders: vakbonden erkennen opdat er een gemeenschappelijk programma kon komen, een voorloper van een CAO, en verder ontslagen stakers weer aannemen en het loon over de stakingsdagen doorbetalen.  Arbeiders wilden vooral kunnen onderhandelen.
Als de stakingsgolf voorbij is, start het tegenoffensief. De christelijke arbeiders bij de spoorwegen vormen ‘Bonden van Orde’. Voor datzelfde doel wordt in het zuiden van het land een katholieke bond opgericht: de RKWB, Rooms Katholieke Werklieden Bond met als Geestelijk Adviseur de pastoor van de St Jacob C. Prinsen, die als President feitelijk de Bond leidt door toezicht te houden op het volgen van de katholieke leer, die men aldus typeerde: “Patroon en werklieden, een model van orde en tucht.”
De Vrije Socialist’ schreef toen, dat het donkere (katholieke) zuiden in tijden van werkstakingen altijd handlangersdiensten moest bewijzen aan het kapitaal en de bedrij-ven van de werkgevers moest beschermen door te blijven werken. In feite stond volgens de socialisten en ook wel volgens meerdere leden van het NVV het zuiden onder voogdij van de Katholieke Kerk (NVV: Nederlands Verbond van Vakvereni-gingen, in 1906 opgericht als een gematigde tegenhanger van de revolutionairen). Het kwam zover – het is dan 1913 –  dat de bisschop van ‘s-Hertogenbosch mgr. Van den Ven  arbitrage eiste opdat werkwilligen niet gehinderd worden. En een redacteur van ‘Het Huisgezin’, het toenmalige Bossche Dagblad schrijft onder pseudoniem dat zij die geen patroons erkennen niet tot onze samenleving behoren. Tenslotte werd op 29 maart 1914 in de Leonarduskerk in ‘t Zand van de kansel een brief van het episcopaat voorgelezen: “Federatieleden (dit zijn de stakers) mogen niet langer tot de H. Tafel naderen (te communie gaan)” .  Het aantal werkwilligen wordt nu langzaam groter.  En als dan even later sigarenfabrieken in Eindhoven het werk van fabrieken in ‘s-Hertogen-bosch, die door de staking getroffen werden, voor de werkgevers overnemen verliest de staking haar effect. Daarmee is de staking gebroken.

Ik ben hier zo uitvoerig op ingegaan omdat ik mij vanuit de vroege dertiger jaren opmerkingen van mijn vader herinner, waarvan  de betekenis nu veel duidelijker en concreter voor mij is geworden. Mijn vader was ook werkgever én katholiek. Er is natuurlijk een hele tijd over de  feiten van toen heen gegaan en er is intussen heel veel gebeurd maar dat wil niet zeggen dat er niets van het verleden is overgebleven en te leren valt; ieder heden komt voort uit het verleden. Geen heden kan op zichzelf zijn; het heeft niet alleen een verleden maar ook iets wat voor  ligt: een toekomst.
De opmerkingen uit de dertiger jaren van mijn vader hadden voor mij te maken met zijn kijk op godsdienst in de samenleving in het  zuiden, waar ik ben  geboren en getogen, terwijl hij zelf in het hoge noorden, in Friesland, is geboren en getogen, hetgeen in de loop van de tijd voor mij niet hetzelfde is gebleken. Zelf was ik van jongs af aan duidelijk en concreet; noem het objectief maar dat is een zeer gevaarlijk woord. Ik heb altijd gezegd dat ik naar het seminarie wilde om priester te worden, wat dat ook precies voor mij betekende. Er waren op die leeftijd voldoende personen waarmee ik mij kon identificeren. Ik heb daarover  helemaal niet met mijn vader ‘overlegd’ – mijn eigen moeder was toen al overleden. Ik vroeg vader  op een bepaald moment alleen wanneer hij mij op ging geven voor het seminarie; het enige wat hij mij toen vroeg, was of ik het werkelijk wilde.
Het was einde schooljaar  1937 en ik was 11 jaar. Ik bleek volgens de regent (de be-stuurder) van het seminarie, door de bisschop benoemd, te jong en ‘regel was regel’. Gezien de leerplicht zat er niets anders op dan de zesde klas twee keer te doen. Ik was een goede leerling en ik werd een beetje het knechtje van de frater, het hoofd van de school.  Een jaar later werd ik opgeroepen voor een toelatingsexamen, dat is 75 jaar geleden. Deze dag ligt vers in mijn herinnering. Mij is later tot vervelens toe  gevraagd of ik wel goed wist wat ik deed. Ik weet in ieder geval precies wat er gebeurde. Dat was een unieke ervaring. Ik zou met de fiets gaan, het was hooguit een kilometer of acht. Ik had met een neef van mij, die daags te voren na het vijfde jaar van het seminarie thuis op vakantie was gekomen en ook niet ver weg bij ons in de stad woonde, afgesproken dat hij mee zou fietsen. We zouden elkaar treffen op het kantoor van mijn vader. Ik was echter een beetje verbaasd toen mijn vader, die daar niets van wist, het er niet mee eens was; ik moest alleen gaan. Dat was verder geen probleem voor me. Ik kende de weg en ik was ook niet bang niet te zullen slagen.
Toen ik bij het in mijn ogen kolossale gebouw aankwam was het er ontzettend druk, wel honderden grote mensen die meegekomen waren, boerenkarren, een enkele auto en ik had grote moeite om mijn fiets ergens kwijt te kunnen en op mijn eentje door de menigte heen te schuifelen naar het bordes dat hoog boven  alles uitstak en waarheen ik me door de menigte ook mee liet sleuren. Ik zag eigenlijk helemaal geen jongens. Toen ik boven was, zag ik in veel paars met spier witte haren een hoge persoon, die zich naar bij vooroverboog en mij een hand gaf en zei: ” Ah, jij bent ‘t jongetje, dat alleen zou komen”. Ik wist het onmiddellijk: het was afgesproken door mijn vader. Ik stond er helemaal niet van te kijken. ‘s-Middags kwam vader mij, ook op de fiets, halen en hij had nog meer georganiseerd. Met de priester-econoom, ook Bosschenaar, had hij eveneens een afspraak: deze leidde ons rond door het hele gebouw. Vader vond het allemaal zo mooi dat hij er ook wel wilde zitten. Daar keek ik van op, dat geloofde ik niet. De volgende dag wist hij van een andere priester-leraar al dat ik geslaagd was. Dat had ik liever van henzelf gehoord. De vraag rees wel bij mij, hoe mijn vader al deze priesters kende. Dit is een heel ander verhaal en in het bijzonder ook de vraag wat hij van hen vond, wat hij van verwachtte. Hiermee kom ik weer terug op de geschiedenis die ik aan het vertellen was.

Wat ik vertelde over de samenleving in de eerste jaren van 1900 van 1903 tot 1914 in het zuiden kwam er op neer dat de kerk, de katholieke godsdienst, het geloof, hoe men het ook noemen wil, de dienst uitmaakte voor velen, ook in het dagelijks leven en zelfs in ondernemingen. Zowel de werklieden als de werkgevers  waren katholiek georga-niseerd en hadden een geestelijk adviseur, die absoluut gezag had. Hetgeen ik niet wist, dat was dat reeds in het begin van de vorige eeuw hier bezwaar tegen werd gemaakt. Ik heb wel van jongs af aan geweten, vanaf de jaren dertig, dat mijn vader zijn eigen ziens-wijze had ten aanzien van de taak van de priester, met name van de kerk, in de samenleving. Ik veronderstel dat hij zijn zienswijze al eerder had opgedaan. Twee veel oudere broers waren al, de een in in 1898 en de ander in 1899, vanuit het noorden naar het zuiden gekomen om directeur van een melkfabriek in Tilburg en in Breda. Zij moeten de gebeurtenissen van 1903 tot 1914 in Brabant en in ‘s-Hertogenbosch van vrij dichtbij hebben meegemaakt. De broers hadden veel contact met elkaar. Bovendien maakte vaders schoonvader Antoon Hootsmans, wonende vanaf 1901 in ‘t Zand alles ter plaatse mee.

Een vraag is nog hoe mijn vader zoveel priesters en pastoors kende.  Dat had een tamelijk triviale aanleiding. In het begin van dit hoofdstuk heb ik verteld hoe mijn vader directeur werd van een pas sinds zeer kort opgerichte coöperatieve melkfabriek, waarvan de voorzitter een vrij bemiddelde boer was uit een dorp in de naaste omgeving. Een coöperatie bestaat uit leden en die waren er nog maar een twintig. Er waren heel veel schulden en alles hing af van uitbreiding van het ledental. Dat was een taak minstens zo groot voor de directeur als voor de voorzitter. Er zouden veel meer boeren uit de hele omgeving aangetrokken moeten worden die lid werden en melk wilden leveren. Een eerste vereiste was uiteraard de prijs die de boeren voor de melk kregen. Iedere avond zat mijn vader als hij de tijd kreeg voor de krant op de rand van de krant te rekenen. Daarna was het pas avond. Er was echter veel meer om het de boeren naar de zin te maken. Alle dorpen in de omgeving waren rond de kerk gebouwd; met de kerk was de pastoor het middelpunt en dan kwam – op de 2e plaats – de burgemeester. De gelovigen onderhielden de kerk en ook de pastoor;  de boeren deden dit door na de slacht een stuk vlees af te staan en na de melk te hebben gekarnd een pak boter voor de pastorie te bestemmen. Zo hielden de boeren de pastoor en de kerk tevreden van wie zij zich afhankelijk voelden. Om praktische redenen liep deze afdracht na enige tijd via de slager en sinds er een melkfabriek was via de melkfabriek. Daar moest een regeling voor getroffen worden, waar een heus besluit van het bestuur van de melkfabriek voor nodig was. In de meeste dorpen werden deze besluiten voorbereid door vergaderingen in het parochiehuis naast de kerk, waar ook de plaatselijk boerenbond vergaderde waar de pastoor altijd de geestelijk adviseur van was. Zo kwamen de partijen bij elkaar en ik weet dat mijn vader daar een grote voorstander van was en tegelijkertijd kwam mijn vader met alle pastoors in contact. De boter die iedere boer voor de pastorie bestemde werd op de melkfabriek verzilverd en op een bepaalde tijd aan de pastoor ter hand gesteld. Vaak deed mijn vader dat zelf, die op deze manier alle pastoors te vriend hield die in zijn parochie alleen maar goed over de melkfabriek sprak. Dit weet ik zo goed omdat ik later, toen ik op het grootsemi-narie zat en reeds de ‘toog’ al aan had tijdens de vakantie er op werd uitgestuurd om het voor een pastoor bestemde bedrag over te dragen.

Dit was slechts één manier waarop indertijd ondernemers en werkgevers contacten hadden met zowel werknemers als leveranciers, hetgeen in een coöperatie de beste mogelijkheden bood.
Hoe mijn vader zoveel priesters en pastoors kende is nu wel duidelijk. Hij had ook een eigen zienswijze over de taak van de priester, met name van de kerk, in de samen-leving.  Wat hij verwachtte van de kerk en van haar geestelijke adviseurs tegen de achtergrond van haar  machtige positie in het begin van de vorige eeuw, heeft hij mij zolang hij kon voorgehouden en dat ben ik ook steeds beter gaan begrijpen om er ook een eigen invulling aan te geven.
Ik ben geboren en getogen in het zuiden, mijn vader in het noorden in Friesland, hetgeen een groot verschil betekent, hetgeen ik al suggereerde.  Vader was kerkelijk, zoals iedere katholiek in die tijd maar in Friesland meer uit vrije keuze omdat daar te kiezen viel, terwijl in het zuiden praktisch niet te kiezen viel. Daar is overtuigend over geschreven onder de titel van ‘Kiezen of Delen’. Tegelijkertijd was vader tactisch, hetgeen iets heel anders is dan strategisch; hij handelde uit overtuiging omdat het goed was. Goed noem ik, wat met ieders persoonlijk belang rekening houdt. Hij kon rustig iets zeggen wat voor een  ander niet aangenaam was maar wel goed. Dit komt op het einde van het laatste hoofdstuk ter sprake naar aanleiding van een jubileum kort voor zijn veel te vroege overlijden. Tegen mij zei hij wat hij waarschijnlijk nooit zo duidelijk  tegen pastoors en tegen geestelijke adviseurs zei en dat was dat ik me nooit met ‘zaken’ had te bemoeien omdat dat niet mijn taak was als priester of geestelijk adviseur en tegelijk zei hij tegen mijn broer, die wel voelde dat hij was voorbestemd vader ooit op te volgen dat hij niet had te zeggen dat ik een gemakkelijke keuze had gemaakt. Misschien  had mijn vader  als voorbeeld de pastoor van de St. Jacob op het oog, over wie  ik vertelde naar aanleiding van de RK Werkliedenbond, waar deze pastoor de dienst uitmaakte en besliste of er gestaakt mocht worden.  Het ‘goede’ onderne-merschap heeft zijn eigen regels, evenals het  ‘goede’ werknemerschap. Er waren meer terreinen waarop mijn vader de totale ondergeschiktheid aan de invloed van het kerkelijk gezag tegenstond en daar zweeg hij ook niet over. Dat betrof de opvoeding met name de rooms-katholieke jeugd-organisatie’s. Het met vlag en wimpel defileren bij grote feesten voor de kerkelijke autoriteiten langs het bisschoppelijk paleis was hem een doorn in het oog. Op het gebied van communicatie geldt voor iedereen hetzelfde maar dat hangt wel af van wat men onder communicatie verstaat. Ik hoop daarop in te gaan in mijn eigen verhaal.