Familie Galema

De Galema’s vormen  sinds de Hervorming in de 16e eeuw een van de grotere ka-tholiek gebleven families in Friesland. Ik bedoel dan de Galema’s, die hun wortel hebben in Oosterend. De katholieken te samen in Friesland vormen sinds de 16e eeuw slechts een minderheid in tegenstelling tot in het Zuiden van Nederland. Ondanks dit verschil is er sinds het derde kwartaal van de vorige eeuw onder de katholieken in geheel Nederland echter veel veranderd. Persoonlijk heb ik nog een gevoelig verschil ervaren. Ik ben geboren in Brabant in ‘s-Hertogenbosch in verreweg het grootste katho-lieke bisdom en de grootste katholieke provincie in Nederland waarin de katholieken verreweg in de meerderheid waren. Mijn vader daarentegen werd in Friesland geboren en heeft zijn gehele jeugd daar doorgebracht. De overeenkomst tussen ons beiden bestaat hierin dat wij beiden zijn opgevoed in een nog zeer traditionele katholieke kerk, waarvan de leiding een absoluut gezag over de gelovigen uitoefende. Het verschil tussen ons beiden is echter dat mijn vader te midden van andersdenkenden  nog kiezen moest en ik dit niet behoefde en ook meestal niet kon daar er niets te kiezen viel omdat iedereen hetzelfde dacht en deelde, als het er op aan kwam. Dit is een waarheid als een koe en is dan ook overtuigend elders beschreven.

Naarmate ik ouder werd heb ik het hier behoorlijk moeilijk mee gekregen. De verschillen binnen mijn meest menselijke relaties, althans mijn eerste menselijke relaties, vielen mij toen steeds meer op. Deze relaties zijn in mijn gedachten – om er zeker van  te zijn dat ik goed verstaan word – de relaties tussen ouder en kind. Het zal de lezer vreemd in de oren klinken maar mijn vader dacht ‘katholiek’ ruimer dan ik toen ik ouder werd. De eerste ontwikkelingsjaren jaren verlopen in de meeste gevallen nog volgens een  be-paald patroon, waarin de fysieke behoeften een grote rol spelen, die voor ieder mens hetzelfde zijn. Daarmee valt niet te sjoemelen en te kiezen, althans niet kwantitatief. Na de kinderjaren breidt de wereld zich vrij snel uit  naar de omgeving waarin de cultuur waarin je leeft reeds direct een grote rol speelt. In mijn situatie was dat aanvankelijk vooral nog mijn naaste familie en wel bepaald mijn Friese familie omdat mijn Brabantse moeder reeds voor mijn vijfde jaar plotseling overleed. Toen  mijn schooltijd begon was het de kenmerkende Brabantse mentaliteit die sterk mee begon te spreken en die niet in een directe lijn lag met thuis en mijn familie. Dit nam nog sterker toe nadat ik na de lagere school intern naar het kleinseminarie ging en daarna naar het grootseminarie.

Grote Studiezaal 2Studiezaal kleinseminarie                Twaalf jaar verkeerde ik slechts on-der jongens en leeftijdsgenoten, alle-maall Brabanders waarvan de mees-ten uit dorpen kwamen. Het opval-lendste verschil dat mij in de va-kanties thuis verweten werd was dat ik Brabants ging praten. Dat vond ik niet erg, ik kon mijzelf daarin gemak-kelijk Interieur Haaren eetzaalaanpassen.

      Eetzaal grootseminarie                Fries kon ik niet praten, ofschoon het wel een beetje in mijn gehoor lach omdat er bij bezoek vaak Fries ge-sproken werd. Verschillen die ik wel erg vond en waarvoor ik mij schaam-de en met niemand over durfde praten kan ik in deze inleiding nog niet noemen.

Het grootste verschil, dat tussen thuis en het specifiek Brabantse katholieke denken dat ik bij mijn opleiding tot priester heb ondervonden maar helaas pas op latere leeftijd heb begrepen en onder woorden kon brengen is het verschil in zelfstandig denken. Dit geldt op elk terrein. Ik breng het hier reeds ter sprake omdat dit een belangrijk motief voor mij is geweest Friesland beter te leren kennen. Toen was het echter al 1985.

Hetgeen mij het meest bezighield was de vraag wie eigenlijk mijn grootouders waren in Friesland omdat ik daar nooit iets over had gehoord. Ik wist niet eens hoe ze heetten. Ik wist alleen dat ze vroeg waren overleden (resp. 38 en 42 jaar oud; acht kinderen van 22 tot 8 jaar bleven achter; mijn vader Fonger was de jongste). Als jongste woonde mijn vader jaren bij zijn oom Dirk Kramer in Kubaard, jongste broer van zijn moeder. Als kind vanaf ongeveer mijn zevende jaar heb ik samen met mijn een jaar oudere broer verschillende zomers weken lang in Kubaard mogen logeren bij (oudoom) Dirk en tante Akke Galama. Het overlijden van mijn moeder had heel veel indruk gemaakt in Kubaard, ook bij de vijf kinderen van oom Dirk, die als jongere neven en nichten mijn vader van jongs af kenden als bij hen te horen en van het verlies van zijn ouders met alle gevolgen geheel op de hoogte waren.

kubjisperkubalogo

De boerderij te Kubaard met daarnaast de ‘jisper’, waar de kalfjes uit de boom kwamen vallen.  

Ik leerde  de boerderij kennen, ik leerde zelfs dat de kalfjes uit de boom kwamen vallen. Alle oude tradities van kerk- en familiebezoek zijn mij bijgebleven. Het is heel begrij-pelijk dat Friesland mij naarmate ik ouder werd nog trok. Maar er  was ook een raadsel hoe het verder met mijn vader en zijn broers en zussen, toen zij wees waren geworden verliep. Ik hoorde daar wel iets over vertellen van een tante maar ik kwam er toch niet uit. Er was een voogd, oom Dirk Kramer, aangesteld en een toeziend voogd, Hubertus Galema. Werden de kinderen wel eerlijk behandeld? Ik heb toen – het was ca 1985 – voor het eerst archieven geraadpleegd, vooral in Leeuwarden met als resultaat een familiekroniek, uitgegeven in 1997.

De titel ontstond uit het feit dat mijn gootouders IJsbrand en Betsie alleen hun eigen kinderen gekend hebben terwijl zij bij hun huwelijk als huwelijkszegen hadden meege-kregen dat zij hun kinderen tTot in het vierde geslachtot in het vierde geslacht zouden mogen zien, d.i. tot aan hun achterachter-kleinkinderen. Men mag dat rustig symbolisch zien in de zin van een Schriftelijke overdrijving. Zo gek is het overigens niet want nu na een eeuw mogen al veel ouders  zich verheugen over hun achterklein-kinderen.  IJsbrand en Betsie zijn mijn grootouders en ik vind het jammer dat ik hen niet heb mogen kennen. Ik weet uit  brieven van grootmoeder dat zij nooit buiten Friesland is geweest maar wel haar oudste kinderen naar Brabant zag gaan en hoopte hen nog eens terug te zien. Haar brieven raakten mij diep.

De twijfel, die ik had gehoord of de kinderen wel eerlijk en rechtvaardig waren behandeld, wilde ik kwijt. De vermelde kroniek is alleen verspreid onder mijn neven en nichten maar staat in ieder geval ook op de bibliotheek van Tresoar in Leeuwarden. Mijn conclusie vat ik samen. Deze berust op acht acten die uiteindelijk allemaal de eigendom en de waarde betreffen van de boerderij genaamd Halfweg Hichtum in de buitenbuurt van Bolsward, afkomstig uit de grote erfenis van IJsbrand Klazes Galema 1789-1873 (zie evt. de volgende pagina). Deze boerderij werd gepacht in 1875 door mijn jong overleden grootvader IJsbrand van zijn vader Jan die tegelijkertijd aan IJsbrand  een lening schonk van ruim f13.000. Toen Jan in 1881 overleed bleef het onroerend goed onverdeeld en er werd geen taxatie opgemaakt. IJsbrand bleef pachten. IJsbrand overleed in 1891 en twee jaar later in 1893 verklaren alle erfgenamen van Jan dat zij tot boedelscheiding willen overgaan. Intussen is er onder elkaar waarschijnlijk wel gehandeld, waar ik niet op inga, om het niet nog ingewikkelder te maken. Het resultaat is voor weduwe Betsie niet gunstig: drie zwagers worden eigenaar van Half Hichtum,  dat er slecht voor staat vanwege gebrekkige bedrijfsvoering tijdens de laatste jaren van IJsbrand en die nu door de twee oudste nog jonge jongens gevoerd wordt onder toezicht van hun oom Dirk. Betsie moet f. 3.000 lenen van haar ouders en later nog eens f. 3000 om de pacht aan haar zwagers te betalen. Dan laten zij Half Hichtum publiek verkopen.    Hier stond de boerderij       Hicht3 Betsie moet met de kinderen de boerderij verlaten. Haar oudste zoon Jan is al op stage gegaan op een Melk-fabriek. Sinds een paar jaar was de mechanisatie van de melkverwerking en boterbe-reiding ontwikkeld en Jan had van zijn grootmoeder  Siebrigje Brandsma, die was  getrouwd was met Frans Kramer,  de raad gekregen:  wanneer hij en zijn broers  geen arbeider wilde worden,  om ‘in de Zuivel’ te gaan.   Drie van de vier jongens slaagden daarin en zijn directeur van grote Zuivelbedrijven geworden in Brabant. Later hebben zij de schuld van hun moeder aan haar ouders betaald.